direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch met waarden
Plan: Baneheiderweg naast 52- Baneheide 26
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0965.BP201004BGBahein52-VA01

Artikel 3 Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving:
3.1.1

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor

  • a. dynamisch agrarisch gebruik;
  • b. bestrijding en voorkoming van bodemerosie en wateroverlast;
  • c. instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden;
  • d. bescherming van aangrenzend natuurgebied, de zogenaamde buffering;
  • e. ontsluiting van de afzonderlijke percelen;
  • f. recreatief medegebruik.
3.1.2

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen:

  • a. de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' zijn mede de desbetreffende bepalingen van deze regels van toepassing.
3.2 Bouwregels

Op de tot 'Agrarisch met waarde' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. 3.2, ten behoeve van de aanleg van kleinschalige recreatieve voorzieningen (zit- en schuilgelegenheid, picknickplaatsen), mits de aanleg geen onevenredige afbreuk doet aan het agrarisch gebruik en de belangen van natuur en landschap, met dien verstande, dat:
  • 1. het oppervlak aan recreatieve bouwwerken per ha. ten hoogste 20 m² mag bedragen;
  • 2. de goothoogte ten hoogste 2.40 m mag bedragen;
  • 3. bouwwerken, voorzien van een dak, met een kap van ten minste 30º zullen en ten hoogste 45º mogen worden afgedekt.
  • b. 3.2, ten behoeve van het oprichten van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, mits:
  • 1. in het geval de oppervlakte ten behoeve van tijdelijke boogkassen en tijdelijke regenkappen na wijziging meer dan 10% van de totale teeltoppervlakte van een bedrijf uitmaakt, vooraf advies is verkregen van de adviescommissie BOM+;
  • 2. omliggende waarden en functies niet onevenredig worden aangetast;
  • 3. de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond;
  • 4. de afwijking niet leidt tot aantasting van de karakteristieke openheid van de plateaus, aangegeven op de kaart hellingklassen teeltondersteunende voorzieningen behorende bij de herziening “Beleidsregel teeltondersteunende voorzieningen”;
  • 5. de afwijking geen betrekking heeft op hellingen met een hellingspercentage van meer dan 4%, volgens de bij de herziening “Beleidsregel teeltondersteunende voorzieningen” behorende kaart hellingklassen teeltondersteunende voorzieningen, met dien verstande, dat:
  • containervelden en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (in de vorm van regenkappen en boogkassen), voor zover deze niet binnen het bouwvlak van een agrarische bouwkavel opgericht kunnen worden, enkel mogen worden opgericht op aan de agrarische bouwkavel aansluitende gronden, indien en voor zover niet gelegen binnen het differentiatievlak beekdal;
  • indien vanuit landbouwkundige motieven aangetoond kan worden dat aansluiting aan de bestaande agrarische bouwkavel niet mogelijk is, containervelden en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (in de vorm van regenkappen en boogkassen) ook op verder gelegen gronden mogen worden opgericht.
  • c. 3.2, ten behoeve van het oprichten van hagelnetten, mits:
  • 1. de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • 2. voldaan wordt aan de “Beleidsregel hagelnetten”, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg op 9 maart 2004.
3.4 Gebruiksregels
3.4.1

Onder gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt ten minste verstaan het gebruik van de grond voor en/of als:

  • a. staanplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  • b. sport- en wedstrijdterrein, buitenmanege en buitenbakken (uitgezonderd ter plekke van de aanduiding “manege/springtuin”) of lig- en speelweide;
  • c. het beproeven van voertuigen, de beoefening van de motorsport, het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, motoren of (brom)fietsen;
  • d. het racen of crossen met motorrijtuigen, motoren of (brom)fietsen;
  • e. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  • f. militaire oefeningen met uitzondering van marsoefeningen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen;
  • g. terrein voor het aanbrengen en het hebben van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, behoudens het bepaalde in art. 7 van de Grondwet;
  • h. het opslaan van mest(stoffen);
  • i. het oprichten van boogkassen;
  • j. opslagdoeleinden, zoals onder andere het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen alsmede tuinafval.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1

Burgemeester en Wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. 3.4, ten behoeve van het houden van militaire oefeningen, mits de agrarische en landschappelijke waarden en belangen niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
  • b. 3.4, ten behoeve van het aanleggen van een buitenmanege, mits:
  • 1. de noodzaak daartoe voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse is aangetoond;
  • 2. natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 3. de buitenmanege gesitueerd wordt aansluitend aan het agrarisch bouwblok, een sportcomplex of de rand van een kern/buurtschap, teneinde de landschappelijke openheid zoveel mogelijk te beschermen;
  • 4. de buitenmanege landschappelijk wordt ingepast;
  • 5. aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden geschaad.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren :

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, het ophogen en/of egaliseren van de bodem of de in het landschap aanwezige laagten, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • d. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur;
  • e. het vellen en/of rooien van houtgewas, met name hoogstamboomgaarden, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben;
  • f. het bebossen van gronden;
  • g. het rooien van opgaande begroeiing op graften en landschapselementen (zoals groenstroken, grasbanen, bermen en hagen) en/of bosstroken.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming:

  • a. 'Natuur', ten behoeve van de aanleg van natuurgebied ter plaatse van:
  • 1. de bodem, blijkens bodemonderzoek vooraf, niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen het voorgestane gebruik;
  • 2. aangrenzende waarden en belangen, waaronder het agrarische belang en de aanwezige uitzichten, zichtlijnen en panorama's, niet onevenredig worden geschaad, met dien verstande, dat:
      • bij de wijziging voldaan wordt aan het bepaalde in bijlage 1 bij de regels.
  • b. 'Water', ten behoeve van het aanleggen van watergangen, waaronder regenwaterbuffers, en het renatureren van bestaande watergangen, waaronder meandering, mits:
  • 1. de noodzaak daartoe in het kader van een adequaat waterhuishoudkundig beheer is aangetoond;
  • 2. natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 3. de ruimtelijke inpassing in het landschap verzekerd is;
  • 4. de bodem, blijkens bodemonderzoek vooraf, niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen het voorgestane gebruik;
  • 5. het renatureren plaatsvindt binnen de op de verbeelding aangeduide meanderzones, of voor zover geen meanderzones zijn aangeduid, een zone van 20 m aan weerszijden van de bestaande loop van de watergang, met dien verstande, dat:
      • bij de wijziging voldaan wordt aan het bepaalde in bijlage 2 bij de regels.